Een met lavastromen bedekte rotsgrond omringde me en met elke stap die ik zette, voelde ik de hitte van het vloeibare gesteente in mijn voetzolen branden. De plotselinge verandering van temperatuur deed mijn voeten sissen, terwijl de brandlucht omhoog steeg, recht mijn neusgaten in. De geur van verbrand vlees, ontbindend, loslatend. Ik probeerde stappen te zetten in de richting van de krater die voor me lonkte, maar het pad dat ik volgde vervormde steeds. De aansluitende stenen krioelden als slangen heen en weer, alsof het oppervlak onder ze continu vloeide.

Het doel zo dichtbij, zo ver weg.

De basis van de vulkaan voor me bestond uit geometrische vormen, hoekige vlakken van harde materie, gescheiden door spleten die ondoordringbare, donkere diepten verborgen. De wijdse ring op de top borrelde. Klodders rood vuur sprongen ongecontroleerd op, de rook werd de hemel in gezogen als een sigaret die geïnhaleerd werd. Ik keek omhoog, naar de plek waar de rook overging in de lucht en volgde de stroom de verte in. Een langgerekt, wit gordijn gierde langs de contouren van de rotsformaties.

Ik voelde hun pijn, alsof het mijn eigen was.

Even dacht ik de gezichten van geesten te herkennen. De geesten van mensen die lang geleefd hadden, die een zwaar en bewogen leven hadden ondergaan. Ze leken een geheim met zich mee te dragen, een occulte energie die alleen gevoeld kon worden door hen die daar klaar voor waren. Voor hen die zelf een leven hadden geleefd vol waanzin, misère en onvervulde wensen. Ik voelde hun pijn, alsof het mijn eigen was. De bittere melancholie, het verschrikkelijke besef dat het nooit meer beter zou worden dan wat het was geweest. En het was niet goed geweest. 


Bovenstaande is een passage uit mijn volgende boek ‘Ilya’.